DE JEUGDSPELER DIE ER ZATERDAG MISSCHIEN NIET IS…
Komend weekeinde draait de competitie zijn tweede ronde, tot de kerstvakantie wordt er weer druk gespeeld. Ook bij de vele jeugdploegen. In alle takken van sport hebben trainers en begeleiders de laatste jaren te maken met talloze onvoorspelbaarheden rondom hun ploegje: komt Eric wel of moeten we Sef nog ophalen? In de voetballerij schreef ene ‘Jules Panenka’ een mooi artikel dat we, enigszins aangepast, hebben ‘vertaald’ naar het handbal. Voor ouders goed om eens aandachtig door te lezen……
DE JEUGDSPELER DIE ER ZATERDAG MISSCHIEN NIET IS…
Door Jules Panenka - Er was een tijd waarin een jeugdtrainer op woensdagavond na de training gewoon zei: “Zaterdag match om 10 uur, verzamelen om 9 uur.” Dat was een betrekkelijk eenvoudige mededeling. Hij had tien of twaalf spelertjes, iedereen was er, de ouders reden stipt op tijd en het grootste logistieke probleem was wie er die week de truitjes moest wassen.
Vandaag maakt een jeugdtrainer geen selectie meer. Hij maakt een risicoanalyse. Want een jeugdploeg begeleiden is tegenwoordig een bezigheid waarvoor je eigenlijk een diploma crisismanagement, een grondige kennis van de menselijke psychologie en bij voorkeur ook enige ervaring bij de luchtverkeersleiding nodig hebt.
Wie heeft er een verjaardagsfeestje of scoutsweekend? Wie heeft zaterdagvoormiddag 'een rustdag nodig' voor school? Wie zit in het weekend bij mama, wie bij papa en wie is het adres van de sporthal-uit vergeten? Wie heeft een snotneus? Wie heeft in een onoplettend moment beloofd om met het gezin een weekendje naar de Efteling te gaan en beseft pas op vrijdagavond dat de D-2 daardoor met één wisselspeler overblijft? Welke ouder heeft nog niet geantwoord in de WhatsApp-groep van het team?
Welkom in het jeugdhandbal anno nu. We hebben spelers. Veel spelers zelfs. De reeksen zitten vol en veel clubs werken zelfs met een wachtlijst.
We weten alleen nooit precies wanneer welke spelers er zijn. Dat klinkt misschien als gezeur van oudere trainers die vinden dat vroeger alles beter was. Dat was het uiteraard niet. Vroeger speelden we op een buitenveld dat meer weg had van een aardappelveld dan van gras, kreeg je na de match een droge koek en werd een doorgetrapte schoen opgelost met een natte spons en de vraag: “Kun je nog lopen?” Als het antwoord “ja” was, mocht je voort. In de sporthal lagen de reserveschoenen meestal voor het oprapen als eentje zijn ‘onderstel’ vergeten was. Vooruitgang en betere begeleiding bestaan gelukkig dus wel degelijk.
Maar ergens onderweg is er iets veranderd in onze verhouding tot ENGAGEMENT.
Sporten is voor veel gezinnen iets geworden wat moet passen in een overvolle weekendagenda, ergens tussen de muziekschool, de padelcompetitie van papa, de brunch en de verjaardag van tante Nicole. En dat is op zichzelf begrijpelijk. Niemand hoeft een belangrijk familiefeest te missen voor een wedstrijd van de E-1. We spreken nog altijd over jeugdsport en plezier.
Alleen lijkt ‘jeugdhandbal’ tegenwoordig soms vertaald te worden als ‘vrijblijvende opvang op woensdagavond, vrijdagavond en zaterdag’. En dat is iets heel anders. Een ploegsport is namelijk gebaseerd op een merkwaardig en tegenwoordig bijna revolutionair principe: dat andere kinderen en de trainer op jou rekenen. Dat klinkt eenvoudig. Het is het niet. Want we leven steeds meer in een wereld van 'op aanvraag'. Een film bekijken we wanneer het ons uitkomt. Eten laten we aan de deur leveren. Muziek luisteren we zonder te wachten. Een weekendje weg boeken we op woensdagavond omdat het toevallig goedkoop is.
Maar jeugdhandbal weigert zich daaraan aan te passen. Een wedstrijd begint zaterdag om half elf. Niet wanneer iedereen uitgeslapen is. Er staan 4, 7 of 10 ploegmaats op het veld die graag willen handballen en die rekenen op hun teamgenoten. En daar wringt het soms. Clubs en trainers passen zich steeds meer aan aan de individuele agenda's van gezinnen, terwijl het besef dat je deel uitmaakt van een team soms naar de achtergrond verdwijnt.
We maken grotere kernen omdat we weten dat tijdens de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie, én alle verlengde weekends, ongeveer de helft van de ploeg op de skilatten staat of in de Ardennen zit. Binnenkort heeft een B-1- trainer veertien spelers nodig om op zaterdag met zeven te kunnen beginnen. En zelfs dan staat de trainer soms op vrijdagavond nog wanhopig naar de B-2- trainer te bellen met de vraag of hij misschien 2 spelers mag lenen.
Maar het probleem zit dieper dan aanwezigheid op het veld alleen.
Vraag eens op een wedstrijddag welke ouders willen helpen op het jaarlijkse jeugdtoernooi of de eetdag. Dan valt er doorgaans een stilte die zo diep is dat je de koelkast in de clubkantine of sporthal hoort zoemen. Iedereen vindt de club geweldig voor hun kind. Tot er stoelen en tafels moeten worden klaargezet… Iedereen wil dat de kleedkamers proper zijn. Tot er een doorschuifschema voor de schoonmaak wordt voorgesteld… Iedereen wil dat de keeper een keepertrainer krijgt, dat de truitjes blinken en dat de gediplomeerde trainers klaarstaan. Maar wanneer de vereniging vraagt om wafels of loten te verkopen om dat allemaal te financieren, blijkt de agenda van veel mensen plots overvol.
Want ergens is het idee ontstaan dat een sportclub een dienstverlener is.
De club levert: een veld, een sporthal, ballen, een gediplomeerde trainer, gediplomeerde jeugdcoördinatoren, kledij, een verzekering en een drankje na de match. En de ouder? Die levert het kind af aan de poort en kijkt eventueel drie kwartier op zijn telefoon vanaf de zijlijn. Dat lijkt een gemakkelijke regeling, behalve dat de jeugdafdeling van een club zo niet werkt. Een sportclub is namelijk geen binnenspeeltuin waar je een toegangsticket voor koopt.
Een jeugdclub draait niet op contributie alleen. Ze draait op mensen.
* Op die ene vrijwilliger die al twaalf jaar elke zaterdagochtend om 7:30 uur de clubkantine opent, de koffie zet en van wie 80% van de ouders de naam niet eens kent.
* Op de jeugdtrainer die na een werkdag van negen uur zich als een haas naar de sporthal begeeft om een uur – of anderhalf uur - training te geven aan zestien energie-kinderen.
* Op de kantine-verantwoordelijke en haar man die de AA-drink en chips op tijd aanvult én liefst ook de tafel afruimt.
* Op de ouder die wél altijd rijdt naar uitwedstrijden en zomaar drie spelertjes extra meeneemt op de achterbank.
Dat is het grootste risico voor ons jeugdhandbal. Niet dat ouders hun kinderen niet graag zien handballen. Maar dat steeds minder vrijwilligers steeds meer moeten opvangen. Totdat ook deze groep stopt. Niet met een boze brief. Ze stoppen gewoon. Ze zeggen: “Laat een ander het maar eens doen.” En zes maanden later vraagt iemand: “Wie regelt dit jaar eigenlijk het jeugdtoernooi?” Waarop het stil blijft.
We praten veel over talentontwikkeling, techniek en tactiek, maar veel te weinig over verenigingsgeest. Een goede opbouwer kweek je wel met training. Maar probeer maar eens iemand te vinden die op zaterdagochtend vrijwillig om tien uur alle doelen op het buitenveld klaar zet of in de sporthal de spelbenodigdheden uit de opbergruimte op de juiste plaats langs de zijlijn zet. Daar bestaan geen transferlijsten voor.
Misschien moeten we daarom opnieuw uitleggen wat lid worden van een jeugdclub eigenlijk betekent.
* Niet: ik betaal lidgeld, dus de club moet mijn kind entertainen.
* Niet: mijn zoon speelt hier, dus ik verwacht dat hij elke week elke minuut speelt, ongeacht of hij komt trainen.
Een club is geen abonnement. Een club is een gemeenschap. Je krijgt iets — een fantastische hobby voor je kind, beweging, vriendschap, discipline en plezier. En je geeft iets terug.
Voor de ene is dat stipt op tijd melden of je kind aanwezig is. Voor de andere is dat eens rijden naar een uitwedstrijd, een keer helpen in de kantine, de truitjes wassen, of gewoon de trainer bedanken na de match.
Het hoeft niet veel te zijn. Als het maar van velen komt.
Want dat is het mooie aan jeugdsport: niemand kan een club alleen dragen. Je kunt de modernste velden of sporthallen aanleggen en de duurste ballen kopen. Maar als er op zaterdagochtend of – middag niemand is om de poort van het complex van de grendel te halen of als aanspreekpunt binnen de sporthal te fungeren, blijft het stil. Een ploegsport leert kinderen iets wat ze nergens anders zo snel leren: dat je onderdeel bent van een geheel. Dat je er staat voor je vriendjes. En dat afspraken nakomen waardevol is.
Aanstaande zaterdag begint er weer een nieuw handbalweekend. Overal zullen jeugdtrainers puzzelen met hun opstellingen. Vrijwilligers zullen de kleedkamers openmaken en AA-Drink koud zetten. Iemand zeult een tas met truitjes mee, een andere de ballen. Ouders zullen op de tribune of langs de lijn staan met een kop warme koffie in de hand. En ergens zal een ouder om 09:42 uur een bericht sturen naar de trainer: “Sorry, coach, we staan in de file, we zijn er over 10 minuten!” (De beginworp is om 10:00 uur…..).
Om 09.54 uur komt de auto de parking bij de sporthal op gereden. Het spelertje stapt uit, veters van zijn handbalschoenen half los (de trainer zal ze wel binden), sporttas over de schouder. Hij rent naar zijn team. En vreemd genoeg is iedereen blij dat hij er is. Want zo werken jeugdclubs. We zuchten als de communicatie moeilijk gaat, maar zodra die kinderen dat veld op rennen en met die bal aan de haal gaan, weet iedereen weer waarvoor we het doen. Ouders, trainers, vrijwilligers en bestuursleden supporteren en moedigen aan.
Alleen zou het fijn zijn als we samen onthouden dat bij een club horen ook betekent dat er op elkaar gerekend mag worden. Want 5, 8 of 11 spelertjes maken een team. Maar honderd betrokken ouders en vrijwilligers maken de club.
En wanneer iedereen denkt dat 'iemand anders' het wel zal oplossen, staan onze kinderen op een dag op het veld…
- Zonder trainer.
- Zonder kantine.
- Zonder uitrusting.
- Zonder club.
Vrij ver(t)(h)aald naar ‘Verhalen van langs de zijlijn’ van Jules Panenka — Voor alle jeugdtrainers, afgevaardigden, bestuursleden en vrijwilligers die elke week opnieuw die puzzel leggen.
Chrome
Firefox
Internet explorer
Safari






